Tramverbindingen 2020: waarom eenzijdig pro?

Vraag van Daniël Fonteyne

Sinds de verklaringen in de pers dd. 15 januari 2013 hebben de Vlaams-Brabanders plots kunnen vernemen dat “de provincie Vlaams-Brabant” de onvoorwaardelijke en stuwende pleitbezorger wenst te zijn m.b.t. het snel realiseren van 4 tramlijnen naar Brussel.

Het gaat over 3 lijnen naar Brussel en 1 Ringtram rond Brussel:
*Boom- Willebroek- Brussel.
*Ninove/Gooik – Dilbeek – Brussel
*Heist-op-den-Berg – Haacht – Brussel
*Jette-Tervuren-Vilvoorde – Zaventem(luchthaven) – Kraainem.

De uitspraak van de deputatie heeft reeds bij heel wat gemeentebesturen, verkeersdeskundigen en gewone burgers terughoudende tot zeer negatieve reacties losgemaakt.

Zonder nu reeds te veel in detail te willen treden zouden we graag antwoorden bekomen op vragen m.b.t.

a) de democratische besluitvorming hierover.
b) De verantwoording van deze strategische keuze.

Inzake democratische besluitvorming:

1) Is dit de keuze van de deputatie of van één gedeputeerde ?
2) Hoe is de deputatie tot deze besluitvorming gekomen?
3) Welke besprekingen zijn hierover geweest binnen de provincieraad of raadscommissie, op basis waarvan deze oplossing naar voor werd geschoven?
4) Aan de verbaasde reacties van veel gemeentebesturen te zien, is er ons inziens ook geen overleg geweest met de mogelijk betrokken gemeentebesturen. Klopt dit ? Waarom niet ?

Inzake strategische keuze:

1) Heeft de deputatie opmerkingen ingediend bij het openbaar onderzoek? Zo ja, kunnen wij daar een overzicht van krijgen?
2) Waarom gooit de deputatie in dit mobiliteitsdebat de 3 tramlijnen naar Brussel op een hoop met de problematiek van de “Ringtram”? Kan de aanleg van de snelle tramlijn rond Brussel niet apart worden bekeken? Door gebrek aan andere alternatieven om het totaal verkeersinfarct rond Brussel te voorkomen, lijkt ons inziens deze verbinding misschien wel nuttig. Wil de deputatie hier prioriteit aan geven of gooit men verder de tramlijnen op één hoop ?
3) Deze 3 tramlijnen naar Brussel voeren ook reizigers van Brussel naar de rest van Vlaams-Brabant (en verder). Hoe gaat de deputatie het onmiskenbare “verBrusselingseffect” op grote delen van onze provincie tegengaan?
4) De provincie heeft via haar domeinen in Huizingen en daarna ook in Diest kunnen vaststellen wat het veiligheidseffect is van zeer laagdrempelig georganiseerd vervoer vanuit Brussel naar deze domeinen. Vreest de deputatie ook geen extra toename van de criminaliteit in onze regio vanuit Brussel door de invoering van deze tramverbindingen?
5)Wat is de kostprijs van deze 3 tramverbindingen ?
6)Kunnen deze 3 tramverbindingen niet veel goedkoper en ecologischer vervangen worden door te werken aan betere spoorwegverbindingen of door in het geval van de lijn over Boom door een goede waterwegverbinding naar Brussel? Waarom kiest de deputatie hier niet voor ?
7)Dat het mobiliteitsprobleem een “en/en” verhaal is tussen privévervoer en openbaar vervoer, daar is ondertussen toch wel iedereen het over eens. Is het voor de deputatie dan aanvaardbaar dat door de aanleg van een trambedding het aantal rijstroken langs de betrokken gewestwegen (bv. Ninoofse Steenweg) zou worden verminderd of versmald ?
M.a.w. is het voor de deputatie aanvaardbaar dat de automobilist nog eens de mobiliteitsrekening betaalt ?
8) Om een capaciteitsvermindering voor het wegverkeer uit de weg te gaan, zal men moeten overgaan tot massale onteigeningen én het opofferen van natuurgebieden (vb in Rotselaar/Werchter) . Vindt de deputatie dat écht verantwoord ?

Daniël Fonteyne
Vlaams Belang

Antwoorden:

1. De heer Dekeyser , gedeputeerde, geeft mee dat de d eputatie in de zitting van 10 januari 2013 een advies formuleerde naar aanleiding van het openbaar onderzoek over de kennisgevingsnota. De deputatie beslist collegiaal.

2. De heer Dekeyser , gedeputeerde, antwoordt dat z oals gebruikelijk in de plan-MER-procedure wordt de provincie om advies wordt gevraagd. De provinciale dienst ruimtelijke ordening organiseerde een interne adviesronde en formuleerde in samenwerking met de provinciale dienst mobiliteit een voorstel van advies aan de deputatie.

3. De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat er geen bespreking in de raadscommissie en raad over de 4 tramlijnen. Mobiliteitsvisie 2020 is wel enkele malen toegelicht. Ondertekening van de motie voor de Vlaamse regering op 10 mei 2010.

4. De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat de verantwoordelijkheid voor het betrekken van de gemeenten in een overleg toebehoort aan de initiatiefnemer De Lijn. Er is geen aparte afstemming gebeurd tussen gemeenten en provincie. Alle actoren werden wel bijeengebracht door De Lijn, in voorbereidende toelichtingen over het proces. Het ging hier eerder om toelichting van het proces dan over het aftoetsen van visie en draagvlak voor de voorgestelde oplossingen.
___

1. De heer Dekeyser, gedeputeerde, antwoordt dat zoals gebruikelijk in de plan-MER-procedure wordt de provincie om advies gevraagd. De provinciale dienst ruimtelijke ordening organiseert een interne adviesronde en formuleert in samenwerking met de provinciale dienst mobiliteit een voorstel van advies aan de deputatie.

2. De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat De Lijn het planinitiatief neemt om de 4 tramlijnen elk in een apart MER-dossier voor te leggen. De keuze voor en/of tussen bepaalde tramlijnen is een politieke keuze.

3. De heer Dekeyser , gedeputeerde, antwoordt dat grote tewerkstellingspolen zoals de luchthaven beter bereikbaar worden. Eén van de huidige problemen is de gebrekkige mobiliteit van werknemers naar bedrijven in Vlaams-Brabant. Een tram kan voor een betere bereikbaarheid zorgen.

4. De heer Dekeyser , gedeputeerde, antwoordt dat het dossier dat nu voorligt over de milieu-effecten gaat, verbonden aan bepaalde zoekzones. Deze vraag staat los van het onderwerp of keuze van de tracé´s. De mogelijke problemen die aangehaald worden in de vraag dienen door flankerende maatregelen door de Vlaamse overheid opgelost/meegenomen worden in een latere fase.

5. De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat de provinciegeen inzicht heeft in de financiële planning van het project/dossier.

6. De heer Dekeyser , gedeputeerde, vertelt dat het uitgangspunt bij de tramlijnen een aanvulling op het spoornet betekenen. Ze zijn dus niet vervangbaar door het spoor. Het alternatief voor de waterwegverbinding is bij de opstart al aan bod gekomen en bleek geen alternatief.

7. De heer Dekeyser , gedeputeerde, benadrukt dat er nog geen uitspraken zijn over het tracé. Wel is het zo dat voor elke tramlijn de consequenties op andere vervoerswijzen mee onderzocht moeten worden: aansluiting op de trein, aansluitingen op fietsGEN, parkeerfaciliteiten, overstappunten, enz… In die zin zijn het auto- en openbaar vervoerverhaal geen naast elkaar liggende verhalen, maar komen ze samen in 1 verplaatsing.

8. De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat de plan-MER de milieu-effecten zal nagaan en indien nodig milderende maatregelen moeten voorstellen om eventuele effecten op te vangen. Het is aan de planinitiatiefnemer om op basis van de kennis van de milieu-effecten een gebalanceerde oplossing voor te stellen.

Spreker zegt dat we een eigen mening hebben over de verbindingen. O.a. de tramlijn van Haacht, met aanpassing van stationsplein met voorziene parkeerplaats. Er is een studie lopende voor spoorwegbrug. Rekening gehouden dat hier een trein kan overrijden. Normaal ook een voorziening aan Lombarden om daar een keerpunt te maken samen met De Lijn.

Jullie kunnen hier vragen stellen over wat en hoe. Spreker stelt voor om na een provincieraad een verenigde raadscommissie te houden met toelichting van De Lijn. Dan kan er een mogelijk debat komen.

De heer Smout zegt dat deputatie hierover advies gaf op 10 januari. Spreker verwijst naar een artikel in de krant waar gedeputeerde Dekeyser zegt: “Wij als deputatie zijn voorstander van de lijn Haacht-Brussel, voor ons hoeft de lijn niet via keerbergen of Tremelo”. Is dit een onderdeel van het gegeven advies? Kunnen dit advies worden bekomen?

De heer Dekeyser , gedeputeerde, zegt dat het een persoonlijke mening was. Spreker zegt dat deputatie advies gaf maar ook het protest van omwonenden begrijpt. Oorspronkelijk was het idee om een verbinding vanuit Haacht naar Brussel te maken. De Lijn heeft dan een 10-tal voorstellen gedaan, waar er 4 geselecteerd werden. De Lijn heeft dit ingesteld van Heist-Op-Den-Berg ook wetende dat het na onderzoek eventueel niet realiseerbaar zou zijn. Daarom dit onderzoek dit na te gaan.