Vervuiling op de site van de Proeftuin in Pamel kost zeker 350.000 euro

Vraag van Jan Laeremans over de vervuiling op de site van de Proeftuin in Pamel

1. Wanneer is de verontreiniging vastgesteld?

In het kader van de periodieke wettelijke verplichting vond in 2010 een oriënterend bodemonderzoek plaats door een onafhankelijk bureau: bvba ABESIM. In het rapport van dit onderzoek (OBO) van 8 april 2010 werd de verontreiniging vastgesteld.

2. Hoe lang is die verontreiniging er al?

Het onafhankelijk bureau stelt na haar onderzoek in haar rapport, dat het om een ‘nieuwe verontreiniging’ en niet om een ‘historische verontreiniging’ gaat. Als oorzaak wordt een calamiteit uit 1997 aangewezen.

3. Hoe erg is die? (beschrijving + raming van de kosten) De kern van de verontreiniging ligt onder een gebouw en onder verharding, waardoor er geen acuut gevaar is voor de werknemers of bezoekers. In het bodemsaneringsproject (BSP), opgemaakt door de bvba ABESIM in 2014, werd een kostenraming opgemaakt. Voor de piste die door OVAM werd goedgekeurd bedroeg de raming — op basis van de tarieven in 2014 – 354.000 euro (incl. BTW),

4. Welke maatregelen zijn er op dit ogenblik al genomen en hoeveel hebben die tot dusver gekost? Er werd geopteerd om de sanering uit te voeren, zodra het gebouw waaronder de vervuiling zit afgebroken kan worden, maar uiterlijk binnen de 15 jaar na het akkoord van OVAM uit 2014. Dit omwille van de technische moeilijkheid en om bijkomende kosten te vermijden. De vastgestelde vervuiling, die stabiel in de bodem zit, moet periodiek gecontroleerd worden om na te gaan of de vervuiling zich niet uitbreidt en een risico gaat vormen voor bv. het grondwater. Begin 2015 werd de eerste controlemeting uitgevoerd waarbij vastgesteld werd dat er zich geen uitbreiding voordeed. Deze controlemeting kostte 4.743,20 €, incl. BTW.

5. Wie heeft dit veroorzaakt? De calamiteit waarnaar verwezen wordt als oorzaak van de vervuiling, betreft een probleem bij het vullen van een ondergrondse stookolietank, waarbij stookolie overgelopen is, waardoor een interventie van de brandweer noodzakelijk was.

6. Wanneer werd er contact opgenomen met de andere gebruikers (VGC en COCOF)? D.m.v. een schrijven dd. 5 mei 2011 heeft de provincie de betrokken scholen, de VGC en de COCOF op de hoogte gebracht van de vastgestelde bodemverontreiniging en het voorstel gedaan aangaande de verdeling van de kosten.

Zowel de VGC als de COCOF vroegen om een officieel verzoek tot tussenkomst in de kosten te formuleren. Dit gebeurde bij aangetekend schrijven dd. 17 juni 2011.

De betrokken partijen werden nogmaals aangeschreven op 26 november 2011.

7. Klopt het dat de VGC te kennen heeft gegeven dat zij mee wil opdraaien voor de kosten en dat de COCOF dat niet wil doen? Zo ja, waarom wil de COCOF dat niet doen?

8. Klopt het dat de provincie de COCOF hiervoor voor de rechtbank heeft gedaagd?
Na de aanmaningen door Meester Van Alsenoy heeft de VGC in november 2013 formeel laten weten in de kosten te zullen tussenkomen. De COCOF heeft laten weten niet te willen tussenkomen in de kosten. Bijgevolg werd in mei 2015 overgegaan tot dagvaarding van de COCOF, die het voorstel van de provincie Vlaams-Brabant niet accepteert om de volgende redenen:
a. De COCOF gaat de site verlaten in de loop van het jaar 2015, ten laatste in 2016
b. De COCOF is van oordeel dat de verdeelsleutel niet in verhouding is tot de kosten die zijn veroorzaakt door de bodemsanering; c. De provincie Vlaams-Brabant zal de enige partij zijn die voordeel ondervindt van de meerwaarde van de site die ontstaat door de gerealiseerde bodemsaneringswerken.

9. Heeft deze vervuiling gevolgen voor de huidige werking van de proeftuin? Gezien de vervuilingskern zich bevindt onder een gebouw en onder een verharding, alsook door het feit dat het een stabiele bodem betreft, is er geen risico voor de werking.